zondag 1 juni 2014

Kopje thee

‘Het is vreselijk,’ zeg ik, terwijl ik met trillende handen de kopjes hete thee op tafel zet. ‘Echt.’ De glimlach op het gezicht van mijn vriendin bevriest. Ik zak op de bank, en mijn betraande blik glijdt angstig naar de babyfoon. ‘Mijn leven is nog nooit zo kut geweest.’

Twee maanden eerder bracht ik mijn derde kind ter wereld. Een prachtig meisje van exact acht pond, dat na een anderhalf uur durende weeënstorm in mijn armen lag en mij met de mooiste ogen ter wereld aan had gekeken. En ik had teruggekeken met verwondering en ontroering en uitputting, en voor de derde keer in mijn leven wist ik dat mijn uitdijende hart er een permanente bewoner bij had gekregen.
Maar die bewoner gunde me weinig rust. De week volgend op de bevalling was er weliswaar de kraamzorg die mij ontbijt bracht en mijn temperatuur opnam en de lakens verschoonde en de luiers telde en mijn zoontje van twee bezighield, maar mijn dochtertje was onrustig, sliep slecht, was verkouden en had last van darmkrampen. En als zij niet sliep, sliep ik niet.
‘Het zijn tropenjaren,’ had ik vaak horen zeggen. Ik had 33 jaar geen idee gehad wat ze er precies mee bedoelden. Eigenlijk klonk het me behoorlijk positief in de oren, tropenjaren. Jaren in de tropen. Palmbomen, diepblauwe zee, hangmat, lome warmte... Prima. Maar nu begon het me te dagen. De tropen, dat was lek geprikt worden door hordes ziektedragende muggen, dat was zwoegen op de plantage onder een zinderende zon, dat was je een weg banen door de drek van benauwde wouden vol giftige planten en dieren met tanden – en planten met tanden, die ook.
Als ik het had geweten, had ik misschien nog een jaartje gewacht. Of twee. Drie.

Iedere twee tot drie uur borstvoeding, drie keer per nacht eruit, 5 tot 6 uur slaap, geen tijd om bij te slapen, geen moment voor jezelf. Want de baby heeft pijn en de peuter wil aandacht en de oudste moet naar school en het huis wordt een puinzooi en de boodschappen moeten gedaan en het eten moet klaarstaan en ergens, tussen het gehuil en gedrein, tussen het wiegen en zorgen en eten maken en borstvoeden door, moet je zelf nog eten, drinken, naar de wc gaan, je omkleden, en heel misschien je tanden poetsen.
Soms douchte ik drie dagen niet.
En je denkt: morgen gaat het vast beter. En anders over een paar dagen. Weken. Over een paar maanden is het voorbij. Dan is alles goed. Dat moet wel, denk je bij jezelf, want dit houdt geen mens toch vol?
Het is maar goed dat ik het van tevoren niet wist. Hoe lang het zou duren. Hoe erg het nog werd.
De baby blijkt ook reflux te hebben; de melk komt continu omhoog en ze spuugt en huilt, het maagzuur brandt, en ze kan niet platliggen, ze moet rechtop, altijd maar gedragen worden, ze slaapt haast niet, misschien tien minuten en eigenlijk alleen tegen je aan, en dus zeul je haar rond, je wiegt, je hopst, je zingt, je sust, je doet alles met één arm, ook koken en de peuter tillen, zitten doe je eigenlijk niet.
En je sleept je uitgeputte, bloedende lichaam verder. Je hebt spierpijn, heuppijn, rugpijn, hoofdpijn. Een kwartiertje buiten lopen en je komt zwetend thuis. Buiten adem, met loden benen. Maar je duwt jezelf vooruit. Je mag niet stoppen, niet instorten, niet gaan liggen. Je beweegt omdat het moet. Je waakt omdat het moet. Je gaat door omdat het moet. Zombies bewegen ook omdat ze niet anders kunnen. Al zijn ze hartstikke dood.
En de peuter, die plotseling de kleinste niet meer is en alle aandacht die hij ooit kreeg naar de baby gezogen ziet worden, wordt met de dag rebelser; hij zeurt, hij jengelt, hij schreeuwt, hij huilt, hij gooit zijn speelgoed door de kamer, zijn eten in de gordijnen, kopjes op de grond; hij slaat en krabt dat verfoeide ‘zusje’ zodra het kan en ook als je kijkt; hij snapt niet dat hij wordt afgewezen, dat er geen plaats meer in je armen is, dat je boos wordt als hij hysterisch gilt, terwijl je net de baby in haar wiegje legt; hij is bang dat je hem niet lief meer vindt, dus slaat en krabt hij ook jou in je gezicht – mama horen schreeuwen en zien huilen, dat is tenminste iets.
Dus voel je je ook nog eens ontiegelijk schuldig. Je komt als moeder danig te kort, als je je zoontje van twee zo ziet worstelen, en je hem haast niet helpen kan. De tijd bestaat uit schipperen, redden, troosten, en nooit lijkt het voldoende, nooit is het goed. Je lieve zoontje verandert in een monster, en voor je het weet verander je er zelf ook in, schreeuwend als een viswijf, hem hardhandig door de gang sleurend, jezelf inhoudend om niet even hard in zijn gezicht te krabben als hij zojuist bij zijn zusje deed. Of harder. En je beseft dat je geworden bent zoals die buurvrouw van vroeger, die je elke dag tegen haar kinderen tekeer hoorde gaan, en wat je zo vreselijk vond, vooral voor die kinderen, die dat vast niet verdienden. Maar nu hoor je je eigen onmacht, en je voelt dat je alle grip verliest, dat de grenzen vervagen, dat alles een veld vol drijfzand is.
En je wilt wel hulp, maar van wie? Vriendinnen die werken, die een eigen leven leiden? Die zelf kinderen hebben, of juist absoluut niet? Je ouders dan, met hun werk en kwakkelende gezondheid? Je schoonouders, die tegen de zeventig lopen en om de haverklap aan een hernia of tijdgebrek lijden? Je zusjes, die tien jaar jonger zijn en mijlenver van poepluiers willen blijven? Je broer, die doorgaans met one-night stands en katers zit? De oppas, die bezig met een debuutalbum is? Wie?
Bovendien wil de baby de fles niet. Je kan niets uit handen (of borsten) geven. Je kan nog geen drie uur de deur uit, als je al oppas hebt. Geen avondje weg met je lief. Geen middagje de stad in. Geen filmpje pakken. Je zit opgesloten in je huis. Zit vast aan je kind. En je geeft haar je liefde, je geeft haar je melk, maar haar behoeften zijn ook tralies, al is ze nog zo lief.
En je man - die wil er wel zijn, maar is er niet. Of niet genoeg. Want er moet gewerkt worden, de rekeningen betaald, we moeten immers kunnen wonen in dit nieuwe huis met genoeg kamers voor die drie bloedjes van kinderen, we moeten overleven, we moeten het betalen, dat moet. Je zou willen dat hij jou dragen kon, zoals jij de kinderen moet dragen. En hij wil wel, hij probeert het, maar hij kan het niet. Hij loopt met dezelfde wallen als jij rond, want deelt je gebroken nachten. Je kunt hoogstens af en toe tegen elkaar aanleunen, als twee manke mensen, om zo samen vooruit te strompelen, proberend in evenwicht te blijven en niet in elkaar te storten.
En seks? God, dat is iets uit een ander leven. Bovendien gevaarlijk. Levensgevaarlijk. De gedachte aan een mogelijke zwangerschap vermoordt alle eventuele voorzichtig opkomende lust. En dus huil je, als je voor het eerst in weken aangeraakt wordt. Je staat doodsangsten uit.
Slaap is inmiddels een fata morgana. Je zou het zittend, staand, ook lopend kunnen - als je eraan toegaf, als het mocht. Je bed is een walhalla, maar je vreest de nachten; dat er elk moment gehuil op kan klinken is een foltering.
Het bezoek serveer je beschuit met muisjes, en gelaten toon je je nieuwste trots. Ze begint al af en toe te lachen en wordt dik waar jij steeds magerder wordt. Maar ’s avonds ben je haar uren aan het troosten, dicht tegen je aan, staand, lopend, schommelend, rustig maar liefje, het gaat over, heus, stop maar met huilen, ga maar slapen, oogjes dicht, het gaat heus over, meisje, echt.
Behalve slapen zou je ook ieder moment van de dag kunnen huilen. En soms doe je dat ook. Er is een verdriet dat zijn klauwen om je keel heeft liggen en dat elk moment zijn grip verstevigen kan. Overdag, als je met twee huilende kinderen zwetend in de rij bij de kassa staat; later die middag, als je jezelf wanhopig hoort schreeuwen tegen een krijsende peuter, en je met poep aan je handen de zure melk van je schouder veegt; ’s avonds, als je trillend van vermoeidheid op bed stort en wilde dat je nooit meer op hoefde te staan; ’s nachts, als je al twee uur heen en weer door de donkere keuken loopt, omdat de baby rustig zou worden van het geluid van de afzuigkap; en ’s ochtends, als je opstaat en weet dat de hele godvergeten kermis opnieuw begint. Het leven is een gammele, zwetende, kotsende, poepende, bloedende en huilende trein die geleidelijk uit elkaar valt, maar nooit stopt.

Het gezicht van mijn vriendin ziet een beetje bleek. De thee is inmiddels koud. Ze heeft nog geen kinderen. Wil ze wel graag, ooit. Maar misschien niet drie.
Ik had vanmorgen extra mijn best gedaan om het huis netjes maken. De theepot en koekjes stonden klaar nog voor ze er was, en het was me zelfs gelukt om make-up op te doen. Dat was een rariteit tegenwoordig.
Ik had haar al maanden niet gezien. De laatste keer toen ik net zwanger was. Ze is een vriendin om mee te stappen, te roken, te drinken en te praten over meeslepende liefdes en grootse artistieke carrières. Dat had ik, door een derde kind te krijgen, behoorlijk door de plee gespoeld, natuurlijk. Ze was niet voor niets zo lang niet langs geweest. Eigenlijk verbaasde het me dat ze me überhaupt belde. Ik moest immers toch een soort van doodverklaard zijn. Opgegeven. Verloren aan de burgerlijkheid, geëxecuteerd door het moederschap.
Als ik de deur voor haar opentrek, glimlach ik breed. Onderweg naar de woonkamer zie ik dat er een melkvlek in mijn blouse zit. Als ik de thee inschenk vraagt ze hoe het gaat.

vrijdag 28 juni 2013

Jouw Vrouw, Mijn Vrouw

‘Wat zit je te glimlachen?’
‘O, niets,’ zeg ik, zonder op te kijken van mijn telefoonscherm. ‘Gewoon, Wordfeud.’
‘Ah.’
Mijn man lijkt alweer verzonken in de tv. Jouw Vrouw, Mijn Vrouw. Ik vraag me af of hij zag dat ik moest blozen.

Wordfeud is online Scrabble, dat je met bekenden of onbekenden kunt spelen. Ik speel op dat moment verschillende potjes met mijn vader, zusje, een vriendin, collega, twee kennissen, en Danny.
Danny was het stuk van de school. Lang, atletisch, hippe kleding, nieuwste scooter, helderblauwe ogen die altijd plaagden (maar mij nooit), golvende blonde haren die je van ver op het schoolplein zien kon, en een glimlach die voor iedereen bestemd leek (maar niet voor mij). Danny hoorde bij de populaire kinderen. Altijd vrienden om zich heen. En vriendinnen. Hij leek me ongelooflijk oppervlakkig.
Maar toen die Danny mij kort geleden op Facebook toevoegde, weigerde ik niet. En toen hij mij een paar dagen terug uitnodigde voor een spelletje Wordfeud, drukte ik op ‘accepteren’.
En Danny bleek niet slecht in Wordfeud. Hij versloeg mij zelfs aan de lopende band. En dat, terwijl ik hem nooit zo slim had ingeschat. Misschien school er toch meer achter Danny...

‘Met wie speel je dan?’ De stem van mijn man klinkt luchtig. Maar ik ken mijn man.
‘Meerdere mensen,’ antwoord ik, even luchtig, mijn blik aan mijn scherm geklonken. Danny maakt ‘verstrengel’ van ‘streng’, en verdient daarmee 109 punten. Ik glimlach evengoed.
Mijn man kijkt me aan, voel ik. Zijn blik gaat dwars door alles heen. ‘En met wie nu?’ vraagt hij.
‘O, een oud-schoolgenootje.’ Nog steeds kijk ik niet op. Ik zit met twee c’s en een q opgescheept, en besluit ze in te ruilen.
‘O,’ zegt mijn man.
‘Godver,’ zeg ik. Ik krijg twee w’s en een x terug op mijn digitale bordje.

Wordfeud heeft ook een chatfunctie, die je tijdens het spelen gebruiken kunt. Om elkaar te feliciteren, uit te schelden, te kunnen klagen over de vreselijke letters die je toebedeeld zijn, of, natuurlijk, om schaamteloos te flirten.

D: 'Mooie foto’s heb je.'

Hij doelt op mijn profielfoto’s op Facebook. Ik heb die van hem ook uitvoerig bekeken en, hoewel het mega hunkerige zich inmiddels heel effectief schuil lijkt te houden achter een wat ielig, ongetraind lichaam en een tamelijk ordinair hoofd, en ondanks de omslagfoto van zijn pagina waarop een lachende blonde vrouw en lachende blonde kindjes prijken, besluit ik zijn opmerking niet compleet te negeren.

Ik: 'Dank je.'

D: 'Je bent een prachtige vrouw.'

Ik: 'Dank je.'

D: 'Vind je het erg dat ik dat zeg?'

Ik: 'Nee hoor.'

D: 'Ik moest het gewoon even zeggen. Je hebt een ongelooflijk mooie en aantrekkelijke uitstraling.'

Ik: 'Goh, eh, dank je. ☺'

Ik heb ‘dierlik’ op mijn bordje liggen, en zoek verwoed naar een ‘j’ om bij aan te leggen.

D: 'Dat had je vroeger ook al, maar nu helemaal.'

Ik: 'Op school? Toen heb je nooit een woord tegen me gezegd, toch?'

D: 'Nee, dat durfde ik niet. Je leek me heel slim. Veel slimmer dan ik. En je was niet erg toegankelijk.'

Ah, yes, bij ‘smoesje’ kan ik ‘m kwijt. Extra punten omdat ik leeg ben, paar keer dubbel en driemaal letterscore, en ook nog eens driemaal woordscore. 156 punten. Ha.

Ik: 'Klopt. Ik was vreselijk onzeker. En absoluut slimmer dan jij. ;)'

D: 'LOL'

D: 'Ik was ook onzeker.'

Ik: 'Jij onzeker?'

D: 'Ja, maar ik nam een houding aan om het te verbergen.'

Hij legt ‘ex’ voor 84 punten. Volgens mij is Wordfeud de enige plek waar dat nog iets oplevert.

Ik: 'Net als ik.'

D: 'Ja ☺. Zoals iedereen op die leeftijd, waarschijnlijk.'

Ik: '☺'

D: 'Maar ik vond je dus erg mooi. Zeker in die jurk bij het eindfeest.'

Ik glimlach breed. Die jurk was heel erg strak.

‘Nog steeds Wordfeud?’
Ik knik, en neem een slok van mijn koud geworden thee.
Op tv wordt een vrouw met een schoonmaakneurose bijna gek bij het zien van een verkeerd geveegd (ja, geveegd) tapijt, en staat haar toegewezen man erbij alsof hij zojuist heeft gehoord dat Ajax is gedegradeerd naar de eerste divisie.

Een week later. Zelfde programma, andere mannen en vrouwen. En heel andere gesprekken via de Wordfeud-chat.

D: 'Ik heb weer over je gedroomd vannacht.'

Ik: 'O. Eh. O ja?'

D: 'Ja. Het ging er heftig aan toe, zegmaar.'

Ik: 'O jee. ;)

D: 'Nogal o jee. Regelrechte porno was het. ;)'

Ik: 'Ugh. Haha.'

D: 'Fantaseer je weleens over mij?'

Ik: 'Dat heb ik wel een keer gedaan ja...'

D: 'Vertel.'

Ik kijk naar mijn letters, maar die zijn waardeloos. Dit potje ga ik weer verliezen.

D: 'Joehoe, ben je er nog?'

Ik: 'Jawel.'

D: 'Je hoeft het niet te vertellen natuurlijk. Maar ik ben nu wel heel nieuwsgierig...;)'

Ik: 'Vooruit. Ik fantaseerde dat ik in bed lag met zowel jou als mijn man.'

D: 'Interessant. ☺ En toen?'

Ik: 'En eh, ik pijpte jou terwijl mijn man mij likte. En daarna andersom.'

D: 'Andersom? Ik pijpte jou terwijl jij je man likte?'

Ik: 'Grapjas.'

D: 'LOL. Sorry, kon het niet laten. ;)'

Ik: 'Uhuh.'

D: 'En gebeurde er nog meer?'

Ik: 'Ik zit hier met rode wangen hoor.'

D: 'Dat mag. Ik met rode oortjes. ;)'

Ik: '☺'

Ik: 'Ja, er gebeurde meer.'

D: 'Ja?'

Ik: 'Jij neukte me, heel hard, heel diep, terwijl ik mijn man zoende, en hem aftrok. En we kwamen alle drie tegelijkertijd klaar – jij in me, en mijn man over me.'

D: 'Godver. Wat lekker.'

Ik: 'Ja, best wel. ☺'

D: 'Ben je nu alleen?'

Ik: 'Mijn man kan elk moment thuis zijn.'

D: 'Jammer... Ben heel erg opgewonden nu. Vind het een heel erg geil idee...'

‘Flirt ie met je?’
Betrapt kijk ik op. Hij is thuisgekomen zonder dat ik het in de gaten had. Misschien door de tv, die best hard staat. Daar woedt een fikse discussie. Iets over laat thuis komen. Of helemaal niet thuis komen.
‘Een beetje,’ antwoord ik voorzichtig.
‘En flirt je terug?’
‘Ik hou het zoveel mogelijk af.’
Hij knikt. ‘Smeerlap.’
‘Nou’, zeg ik, terwijl mijn wangen nog harder gloeien dan ze al deden, ‘een beetje flirten is toch zo’n ramp nog –‘
‘Jawel. Hij doet het heel geniepig. Je een beetje paaien, stap voor stap over een grens heen trekken. Ik ken dat soort gastjes. Heeft hij al gevraagd of hij je kan ontmoeten?’
Ik knik. ‘Hij wilde koffie drinken, maar dat heb ik natuurlijk afgewimpeld.’
‘Koffie. Ha.’ Hij lacht sarcastisch. ‘De volgende stap is dat hij je persoonlijke dingen vertelt. Dingen die hem kwetsbaar en eerlijk laten lijken. Daar wil hij je emotioneel mee binden.’
Ik denk aan Danny’s verhaal over de dip waar hij in zit, en de relatieproblemen die hij heeft.
‘Bijvoorbeeld over zijn relatie,’ gaat mijn man verder, ‘en dat het zo fijn is dat hij zo makkelijk met je kan praten.’
Ik zwijg.
‘En daarna gaat het langzaam maar zeker over steeds intiemere dingen. Over seks.’ Hij kijkt me indringend aan.
Ik lach schaapachtig.
‘En voor je het goed en wel beseft, lig je met ‘m in bed.’
Mijn schaapachtige lach verandert in een verontwaardigd ‘Nou ja!’
‘Nou ja?’ Hij ijsbeert door de kamer. ‘Ik voel wat die gluiperd doet. Hij trekt aan je. En volgens mij laat jij je nog meetrekken ook.’
‘Pfff,’ sputter ik tegen, ‘echt niet.’
Hij staat stil, haalt zuchtend zijn hand door zijn haren. ‘Koppijn krijg ik ervan,’ en hij ploft op de bank.
‘Ik haal wel wat,’ zeg ik, blij dat het onderwerp al half van tafel is, en ik loop naar de badkamer. Paracetamol. Twee. Glaasje water. Maar terwijl ik de kraan opendraai, besluipt me een naar voorgevoel. Mijn telefoon. Op de bank.
Terug in de woonkamer, mors ik een grote scheut water over de vloer. Maar de telefoon ligt nog op dezelfde plek, naast het groene kussen. Ik stap met mijn voet in het water, en vloek. Een natte sok is ongeveer het ergste dat er is. Ongeveer, dan.
Mijn man staart onverstoorbaar naar de tv. Ik geef hem zwijgend het glas en de tabletjes. Hij bedankt niet. Slikt de pijnstillers één voor één door.
Ik ga naast hem zitten. Het is pauze bij Jouw Vrouw Mijn Vrouw, en De Verbouwing wordt aangekondigd. Straks, om half tien.
Er klopt iets niet.
De stilte hangt bevroren tussen ons in.
‘Dus die Danny en jij,’ begint hij ineens, en de brokken ijs kletteren op de grond. ‘Waar hebben jullie het zoal over?’
Ik schraap mijn keel. Zie ijspegels liggen. Hele scherpe. ‘Gewoon, over werk, en kinderen, en relaties, en –‘
‘Seks.’ Hij kijkt me aan, en ik weet dat ontkennen geen zin heeft.
‘Ja, en seks.’ Ik zucht. ‘Ik heb hem verteld over het soort relatie dat wij hebben. De vrijheid die we elkaar geven. Maar wel dat we alles samen ondernemen. Hij weet dus dat ik nooit iets alleen met hem zou doen. Hij vindt het zelfs ‘cool’ dat wij zo’n relatie hebben. Zijn vrouw zou zoiets nooit willen.’
‘Nee,’ zegt hij schamper, ‘maar gelukkig heeft hij jou om zich op af te trekken. Niet?’
Zijn stem klinkt gevaarlijk nu, en ik kijk hem hulpeloos aan.
‘IK HEB HET ZELF GELEZEN!’ Zijn stem buldert mijn maag ondersteboven en mijn hoofd draait naar de telefoon, die schijnbaar onschuldig naast mij ligt. Verrader.
‘Ik schaam me vreselijk,’ gaat hij verder, en ik hoor hoe zijn woede worstelt met verdriet, ‘maar ik moest het weten. Of mijn gevoel klopte. Dat je niet eerlijk was.’
Mijn hart krimpt ineen bij die laatste woorden.
‘Je hebt niet alleen teruggeflirt, je hebt fantasieën met hem gedeeld, je hebt hem op zitten geilen, je hebt godverdomme naar hem verlangd!’
God, het is waar, het is helemaal waar.
‘Je hebt me voorgelogen, je zei dat je niets met zijn avances deed!’
‘Ik durfde niet,’ piep ik, ‘ik durfde het niet te zeggen.’ Ik streel zijn getergde gezicht, leg mijn hoofd tegen zijn gekwetste hart. ‘Het spijt me, het spijt me zo.’
Zijn hand gaat over mijn haar, naar mijn nek. Hij zou me nu best mogen wurgen. Maar hij duwt mij stevig tegen zich aan. ‘Stommerd’, hoor ik gesmoord van boven. ‘We zouden toch eerlijk zijn naar elkaar? Alles delen?’
Ik snif, en knik hardvochtig. ‘Ja. Ja, natuurlijk. Ik weet ook niet waarom ik dat niet deed. Bang dat je boos zou worden. Dat ik je zou kwetsen.’
Hij streelt mijn rug. ‘Je mag heus flirten. Ik weet dat ik je niet opsluiten mag. Maar hoe hij bezig was... Niet met hem. En volgende keer gewoon zeggen.’
Ik glimlach, vind zijn mond, voel de angst wegebben met iedere kus die hij beantwoordt. ‘En jij niet meer aan mijn telefoon komen,’ zeg ik. ‘Je lijkt wel een wijf.’
Hij lacht, zijn wangen rood, en op de achtergrond vertrekt een opgeluchte vrouw weer terug naar huis, een minstens zo opgeluchte man achter zich latend.



woensdag 14 november 2012

Kangoeroe


‘Doet u mij maar de kangoeroe,’ zeg ik tegen de ober.
‘Medium rare, alstublieft.’
Ik heb het nog nooit gegeten, kangoeroe, maar ik schuw het nieuwe niet. Zeker niet als gezegd wordt, dat het vreselijk lekker moet zijn.
Ik hef mijn wijnglas en glimlach breed naar mijn lief.
‘Op ons,’ zeg ik.
‘Op vanavond,’ knipoogt hij.
We zijn een weekend weg. Twee dagen voor ons tweeën. He-le-maal voor óns.
We hebben een super-de-luxe hotel geboekt in een stad die we niet kennen, en die ons dus ook niet kent.
En vanavond gaan we los. Vanavond gaan we stappen.
Als ouders moet je immers iedere kans benutten om even géén ouders te zijn. Om even tot rust te komen.
Of, natuurlijk, om alles te doen wat anders niet kan.
Dus smeden we wilde plannen.
Ik kijk voorzichtig om me heen, met een quasi slinkse blik.
‘Dat stelletje rechts, in de hoek?’
Merijn neemt een slok van zijn drankje en werpt een nonchalante blik naar achteren.
‘Te jong’, zegt hij, als hij zijn glas weer neerzet.
Ik kijk nog eens.
Tja. Daar heeft hij een punt.
Ik schat ze begin twintig, en ze kijken schuchter om zich heen, behalve naar elkaar.
Misschien is het hun eerste date.
Ik kijk nog even verder.
Niet ver van ons vandaan zit een stel van rond de veertig.
Hij met zijn rug naar mij toe. Brede schouders in een zwart colbert. Grijzende, kortgeknipte haren.
Zij heeft zwarte krullen die tot haar schouders reiken. Grote, donkere ogen, maar erg veel make-up. Bovendien is wat zij draagt op het randje van ordinair. Een zwart kanten topje met een ruim decolleté. En haar huid toont al heel wat plooien.
Dan kijkt ze mijn kant op, en draai ik mijn ogen vlug weg.
‘Zag je wat?’
Mijn lief grijnst boosaardig.
‘Te oud,’ zeg ik. En ik voel dat ik bloos.
Voor ons doel van de avond moet alles kloppen.
Hij, en zij, en alles eromheen.

Dan komt de ober, en zit ik boven mijn kangoeroe.
Ronde, rode, sappig ogende plakken biefstuk. Het lijkt precies op koe.
‘Daar ga je, Skippy,’ zeg ik vrolijk, en ik neem een flinke hap.
Het is in één woord: verrukkelijk.
Ik kreun heel zachtjes en sluit mijn ogen. Zo mals heb ik vlees nog nooit gehad.
‘Hé pssst.’
Mijn lief wijst met een hoofdknik naar een stel dat zojuist is binnen gekomen.
Ze zijn van onze leeftijd, en zeker niet onknap.
Zij heeft blond, sluik haar in een staartje, en draagt een Burberry-achtig blousje.
Hij is iets donkerder, met het haar yuppie-halflang achter zijn oren, en met een smetteloos wit overhemd aan.
Ze gaan naast ons aan een tafeltje zitten.
Merijn en ik kijken elkaar lachend aan, en nemen nog maar een hapje.
Het stel naast ons inspecteert in ernstige stilte de menukaart, en geeft zo mij de mogelijkheid ze tersluiks nader te bekijken.
Zij zit naast mij, mijn zicht is op hem.
Hij heeft best mooie ogen, zie ik. Lichtbruin, met lange wimpers. En hij is slank gebouwd. Ik denk atletisch. Met vermoedelijk een six-pack.
Ook zij is slank, en heeft mooie handen. Ze heeft vast een hele zachte huid.
Misschien, denk ik, misschien voldoen ze aan onze voorwaarden.
Misschien dat we straks een gesprek beginnen.
En dan blijken ze slim en grappig te zijn.
Misschien dat we alle vier steeds meer drinken.
En dan drinken we whisky na de wijn.
Misschien dat we later op de dansvloer staan.
Misschien dat we naar elkaar toe bewegen.
En dat ze daarna met ons mee willen gaan.
Misschien dat zij en ik dan zoenen.
Misschien dat ik hem zoen, en zij Merijn.
Misschien dat we gevieren in bed belanden.
Misschien dat we gek van geilheid zijn.
Misschien dat we elkaar dan uit gaan kleden.
Misschien dat we lachen, maar niet teveel.
Misschien dat we voelen en likken en strelen.
Misschien dat ik haar proef, en zij mij.
Misschien dat de mannen mij allebei nemen.
En misschien wel tegelijkertijd.
Misschien dat de nacht wel duurt tot de morgen.
Misschien dat ze blijven bij het ontbijt.
Misschien dat we vaker af gaan spreken.
Misschien –
‘Ik neem de zwaardvis.’
Mijn gedachten worden ruw onderbroken door de stem van de man rechts voor mij. Er had een onmiskenbare Gooise ‘r’ in doorgeklonken. Met een typisch soort zakelijke zelfingenomenheid.
Ik kijk vol walging naar de laatste stukjes Skippy op mijn bord.
‘Ik weet het nog niet,’ piept het meisje naast me.
Mijn God, ze klinkt precies als Minnie Mouse.
‘Anders neem je de salade,’ zegt hij, en doet geen enkele moeite om niet verveeld te klinken.
Salade neemt ze natuurlijk altijd.
Ik kijk naar mijn lief, die zit te grinniken, en ik kan het niet helpen, ik schiet in de lach. Zo erg, dat de tranen in mijn ogen schieten, en ik met een servet mijn enorme grijns bedek.
Maar het stel naast ons lijkt niets in de gaten te hebben.
Hij leunt lui achterover. Haalt een hand door zijn haren.
Zij bestelt de salade, en een Spa Blauw.
‘Heeft het gesmaakt?’ vraagt de ober naast mij.
‘O, het was heerlijk’, en ik veeg een traan weg.
‘Maar wel zielig, zo’n kangoeroe.’











woensdag 22 augustus 2012

3-OH

“Wil je misschien een kopje koffie?”
“Nee, dank je, ik drink geen koffie.” Ze glimlacht er verlegen bij.
“Thee dan? Ik heb groene thee, rooibos, sterrenmix en... eh, gewone thee.”
“Het maakt niet uit. Doe maar wat.”
Ik pak de groene thee, doe het in het kopje en giet er kokend water bij. Het is stil aan mijn keukentafel. Ik bedenk een vraag. “Heb je veel te doen vandaag?”
“Niet zo veel. Een beetje.”
En dan komt mijn lief de keuken binnen. Gedoucht, maar nog bleek van de korte nacht. “Een goedemorgen”, zegt hij opgewekt, alsof hij haar vandaag voor het eerst ziet.
Ze glimlacht weer. Tanden wit onder chocoladebruine ogen. Ze is mooi, en lief. En lag zojuist nog in ons bed.

“Hoe eh, zie je dat eigenlijk voor je, precies, dat vrij zijn?”
We zitten in de auto, ik ben zeven maanden zwanger en het is donker buiten, koud. We hadden het er niet meer over gehad. Niet meer sinds het moment dat hij besloot volledig voor mij te gaan, ook al had ik hem gezegd dat ik niets beloven kon. In elk geval niet wat monogamie betreft.
“Vrij zijn?” Ik echo het terug. Mijn buik doet opeens een beetje pijn.
“Ja. Hoe zie je dat? Dat je straks, als je niet meer zwanger bent, een keertje uit gaat met vriendinnen, en dat je dan iets doet, met iemand?” Hij wacht mijn antwoord niet af. “Bij het idee alleen al word ik namelijk echt kotsmisselijk.”
Ik ben stil.
Nee. Ik wil hem niet kwetsen. Maar iets in mij gromt van ongenoegen.
“Dat maakt relaties kapot namelijk, liefje.” Hij kijkt mij smekend aan. “Het zou MIJ kapot maken.”
Ik staar onbeweeglijk door de voorruit. Er zit een geplette vlieg op.
“Hoe zou jij je voelen als IK dat deed?”
Ah, de onvermijdelijke vraag. Ik zucht onzichtbaar.
“Dat ik thuis kom, midden in de nacht, en je wéét dat ik iets gedaan heb? Of dat ik je bij het ontbijt vertel wat een lekkere nacht het was? Wat een lekkere vrouw het was? Wat voel je dan?”
Ik slik. Hij heeft natuurlijk gelijk, maar ik geef me niet zo gauw gewonnen. “Dan moet ik denk ik even door een moeilijk momentje, ja. Maar ik zou het ook begrijpen. Dat het niks met óns te maken heeft. Dat het seks is, en meer niet.”
Nu is hij stil.
We rijden langs de FEBO. Ik voel me weeïg worden.
“Maar dat is het ‘m nu juist.” Zijn stem klinkt plotseling zacht. “Het zou álles met ons te maken moeten hebben.”
Ik kijk hem verward aan.
Hij ziet het en gaat verder, terwijl hij een scherpe bocht naar rechts maakt. “Als jij zonder mij dingen doet, intieme dingen doet, dan slaat mijn hoofd op hol, dan wordt alles erger, alles groter, alles...viezer. Ik zou bang zijn, boos zijn, ik zou vreselijk jaloers zijn. En jaloezie is geen emotie die je moet onderschatten.”
Ik voel de spijlen van de kooi neerkomen. Vlak tegen mijn huid.
Ik weet wat hij bedoelt. Ik snap het. Hij kan mij niet laten gaan. Hij kan mij niet vrijlaten. Ook al had hij dat beloofd. Ook al wilde hij dat echt. Hij kan het niet.
“Dan moet je dus altijd bij me blijven,” zeg ik, deels grappend, deels kwetsend, en ook wel wat gekwetst.
“Ja,” zegt hij, en ik voel dat hij mijn reactie probeert te pijlen.
Bijna wil ik iets snedigs zeggen, iets met ‘tot de dood ons scheidt’ en veel wellende tranen, maar dan herinner ik me iets. Een fantasie. Van hem. En inmiddels ook van mij. Dat ik door een man - een vreemde - genomen word, en dat mijn lief toekijkt. Opgewonden van mijn opwinding.
Toen hij me dat beeld een keer tijdens het vrijen in mijn oor fluisterde, kreeg ik vuurrode wangen. Ik was verrast, en ook weer niet. En heel erg opgewonden. Dat meteen.
“We moeten alles samen doen,” zeg ik. Ik klink beslist.
En nu kijkt hij verward.
“Ik bedoel, we moeten sámen iets proberen met een ander. Sámen jagen. Sámen genieten. Alles samen. Altijd.” Ik glimlach er breed bij. Het is mijn laatste kans.

Ik voel haar warmte achter mij, als ik langzaam wakker word. Ze kreunt, zachtjes. Ze beweegt dichter tegen mij aan. Ik heb mijn ogen nog dicht en voel de zwaarte van mijn lichaam en het kloppen van een vage pijn in mijn hoofd.
Ze kreunt nog eens en verplaatst haar onderlichaam naar achteren, van mij af.
Waarom kreunt ze? Ineens ben ik klaarwakker.
Er zijn twee mensen aan het bewegen, achter mij. Ik verstar. Krijg het warm. Maar de warmte is niet van opwinding.
Mijn lief is haar aan het neuken.
Hij neukt haar, en ik lig er bij.
Met mijn ogen wijd open blijf ik zo stil mogelijk liggen. Ik zie hoe de ochtendzon de gordijnen doet oplichten in banen van gebroken wit. Lakens ritselen. Het gekreun wordt frequenter. Een lichtstraal die door een kiertje piept, tovert stofdeeltjes in de lucht.
Koortsachtig tast ik mijn binnenste af. Vannacht had ik dit misschien nog geil gevonden. Vannacht had ik meegedaan. Maar de roes is voorbij, en ik voel hoe de warmte in mijn buik ijskoud wordt.
Hij neukt haar, en ik lig er bij.
Dus zo voelt het.
En dan houdt de beweging abrupt op. Voel ik Merijns hand op mijn schouder. Voel ik hoe hij mijn hand zoekt. Hoe hij mij zoekt. Hij weet dat ik wakker ben. Ik weet dat hij het weet, maar reageer niet.
De lakens worden weggetrokken en hij komt overeind. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe hij in zijn kleding schiet. Een geruite boxer en een wit t-shirt. Maar niet helemaal meer wit.
“Zo”, zegt hij opgeruimd, “tijd voor André Hazes.”

We ontmoeten Roos op onze eigen bruiloft. Ze is meegekomen met een vriendin van haar, die een collega van Merijn is. Ze is jong nog, begin twintig, heeft golvend, donker haar dat tot ver op haar rug valt, en draagt een strakke, rode jurk waarin haar wespentaille menig vrouw de ogen uitsteekt.
Met een grote glimlach schudt ze me de hand. Haar volle lippen hebben dezelfde kleur als haar jurk. “Gefeliciteerd! Wat een prachtige bruiloft, en wat zie je er mooi uit!”
Dat laatste komt er zo oprecht gemeend uit, dat ik er een beetje van bloos. “Dank je”, zeg ik alleen maar, en glimlach breed terug, voor ik een slok van mijn champagne neem. Als ik opkijk loopt ze alweer verder, om plaats te maken voor andere gasten.
“Aardig meisje, die Roos”, zeg ik even later tegen Merijn.
“Ja”, zegt hij, “ze heeft ons een fles whisky gegeven, wist je dat? En geen goedkope ook.”
“Wat lief”, zeg ik, “ze weet dus wat we lekker vinden.”
En in mijn ooghoek gaat iets roods de dansvloer op.

“Filmpje kijken?”
We liggen in bed. Met z’n drieën. Ik tussen Roos en mijn lief in. We hebben de afgelopen uren whisky gedronken, gepraat, en nog meer whisky gedronken. Haar fles.
Ik ben moe. Dronken en moe, en als Merijn voorstelt om nog een film op te zetten, vind ik dat best.
Maar hij is slim. Zapt de kanalen langs, om volledig toevallig te stuiten op een sekskanaal. Lang leve Film1! We doen er een paar minuten lacherig over, maar dan buigt mijn lief zich over mij heen en zoent me. Zoent me uit mijn halfslaperige toestand en wekt mijn zin. En dan zoent hij ook Roos, en ik kijk. Het is opwindend en ook een beetje gek. Ik vraag me af hoe hij dat vindt, haar zoenen, en hoe dat is.
Plagerig duw ik Merijn een beetje van haar af. Ik buig me over haar heen en kus haar, Roos. Zachte lippen, speelse tong. Zoveel zachter dan met een man. We zoenen verder, strelen elkaars armen, schouders, borsten. Haar lichte huid is zacht. Zoveel zachter dan die van een man. En Merijn kijkt, en ik zie hoe hij steeds meer opgewonden raakt. Hij komt er weer tussen. Zoent haar, zoent mij. Streelt mij, streelt haar. En dan zit ik in een kluwen van handen, vingers en tongen die strelen, voelen, zoenen. Mijn lichaam bevindt zich in een zee van lust en tederheid, en verlangt naar steeds meer.
Merijn raakt mij aan tussen mijn benen, en ik kreun, terwijl ik met Roos zoen, en ook zij kreunt. Zijn vingers bewegen ook in haar, en als een koning zit hij tussen ons in.
Ze is gulzig, Roos. Zacht, maar gulzig. Steeds zoekt ze mijn tong weer, raakt ze me aan, eist ze mijn handen, mijn lichaam op. Een brunette en een blondine die in elkaar opgaan. Ik weet dat Merijn dat het summum van geil vindt. Ik laat me gaan, geef haar mijn tong en raak haar aan, ook diep beneden.
Als zij hem pijpt, kijk ik gebiologeerd toe. Opwinding mengt zich even met een stiekeme onzekerheid en jaloezie. Hij geniet ervan, zij ook. Maar wat als zij beter pijpt dan ik? Zij krijgt er vast geen kaakpijn van...
Ik besluit die onzekerheid meteen te laten vallen. Deze seks, nu, is leuk, maar samen is het anders, dieper. Vandaag spelen we, en ik wil meespelen.
Hij komt niet klaar van haar lippen om zijn lid, maar draait zich naar mij toe, duwt mijn benen uit elkaar en dringt bij me binnen. Grommend gaat hij dieper in mij, en ik sla mijn benen om hem heen, duw mijn bekken gretig naar hem toe. Verslinden. Hij verslindt mij en ik hem. Maar dan trekt hij zich terug en schuift de heupen van Roos naar zich toe. Hij gaat bij haar naar binnen, en ik kan zijn opwinding voelen. Meerdere vrouwen tot mijn beschikking hebben, mogen neuken, dat lijkt mij zó geil, hoor ik hem nog zeggen. Ik tast mijn gevoel af, en merk dat ik het niet erg vind, hij in haar. Ze kreunt harder, en het windt mij op. Hij kijkt mij aan met bijna zwarte ogen en laat mijn blik niet los terwijl hij in haar beweegt. Ik zeg (en hoor hoe donker mijn stem klinkt): “Ik wil dat je haar hard neukt – heel hard neukt”, en raak mezelf aan, terwijl onze blikken zich in elkaar boren en hij steeds harder in haar stoot.
Sjezus. Het is één van de meest geile momenten die ik ooit heb meegemaakt.
Hij laat haar los en komt weer bij mij terug, in mij, waar hij eigenlijk hoort. Ik ben dan zo opgewonden dat het niet lang duurt voor ik klaarkom, tegelijk met hem. Hij spuit zijn zaad op mijn buik, terwijl ik nog onder hem kronkel van genot.
Roos streelt mij en buigt zich naar mijn buik, waar zij het sperma er gretig aflikt. En dan fluister ik in het oor van mijn lief: “Ik wil dat je haar likt tot ze komt.” Want ze mag niet achterblijven, en bovendien meen ik me te herinneren dat ik had opgeschept over de vaardigheid van Merijns tong. Dus.
Hij likt haar, en ik streel haar, en kus en lik haar tepels. Ik wil dat ze geniet. Ze is lief. Ik wil dat ze komt. En ze komt. Want inderdaad, mijn man heeft een vaardige tong.

“Maar wat als één van ons het nou helemaal niks vind?”
We zitten in onze tuin, het is al donker en een kaars verlicht zowel onze gezichten als de fles whisky die op het tafeltje staat.
Roos is onderweg naar ons huis. ‘Nog 20 minuten’, Whatsappte ze zonet. Ik ben me er bewust van dat ik een pietsje meer drink dan normaal. Er zou moed zitten in die fles amberkleurige vloeistof.
Een half uur geleden leek het ons een geweldig idee, haar vragen of ze een glaasje mee kwam drinken, maar nu valt ook van Merijns gezicht de spanning af te lezen.
“Wat als iemand zich bedenkt? Dat zou best lullig zijn. Toch?” Hij neemt een flinke slok uit zijn glas, en verslikt zich er bijna in. Ik lach, een beetje vertederd. Eigenlijk ben ik de whiskydrinker. Hij leert het nog maar net. Groentje.
Maar zijn vraag houdt ook mij bezig. Wat als het niet leuk is? Wat als iemand tegenvalt, of als het niet meer goed voelt? Als één van ons jaloers wordt?
“We moeten goed met elkaar blijven communiceren, denk ik.” Ik steek een sigaret op. “Laten weten wat we wel en niet willen. Dat weet je op het moment zelf pas echt zeker.”
Merijn knikt instemmend. “Maar”, zegt hij, “misschien is het handig om een stopwoord te hebben. Een noodrem voor het moment dat één van ons iets echt niet wil.”
“Ja,” en ik blaas sigarettenrook richting de kaars, “een ontnuchterend woord. Iets dat we allebei niet leuk vinden.”
“Ik weet het!” En hij glimlacht triomfantelijk. “André Hazes.”

Ik sta in de keuken en schuif afbakbroodjes in de oven. Roos is in de badkamer, en ik hoor Merijn de keuken binnenlopen. Hij komt achter me staan en slaat zijn armen om mij heen als ik overeind kom.
“Sorry”, zegt hij gesmoord. “Sorry, sorry, sorry”. Hij kust me in mijn nek en ik sluit mijn ogen. “Ik was maar half wakker, nog in een roes, en... Eigenlijk wilde ik haar niet, ik wilde jou. Het spijt me, spijt me echt.”
Ik draai me om en kijk hem aan. Hij heeft een verslagen blik. Ik glimlach een kleine glimlach.
“Vergeef je me?” Hij zet zijn hondenblik op, en ik grinnik. Mannen. Zo snel verraden door hun piemel.
“Maar het kan en mag nooit meer gebeuren,”, zeg ik. “Nooit. We moeten altijd contact houden. Altijd samen. Altijd.”
“Ja,” knikt hij opgelucht, “graag. En nu wil ik samen met je zijn. Zo snel mogelijk.”
Roos komt even later de keuken binnen en ze krijgt thee en warme bolletjes.
Maar het is en blijft een morning-after ontbijt. Een tikkeltje ongemakkelijk, niet veel te zeggen, al is er zoveel gedaan.
Bij het afscheid geven we elkaar drie zoenen. “Het was leuk,” zeggen we, en we lachen erbij.
Als ze weg is, vallen we samen neer op de bank. Opgelucht en met wallen onder onze ogen. Het is een beetje alsof er een vrachtwagen over ons heen is gedenderd, maar we het als door een godswonder overleefd hebben. En ons nu verbijsterd afvragen hoe dat mogelijk is.
Wat een nacht.
“O, trouwens”, zeg ik, opkijkend naar Merijns gezicht, “gefeliciteerd lief, we zijn vandaag exact één maand getrouwd.”
En we grinniken, tot we kussen.

donderdag 2 februari 2012

Overleven

“Maar dat hebben we al twéé keer gegeten de afgelopen week!
NEE, IK WIL GEEN SPAGHETTI BOLOGNESE!”
In mijn ooghoeken zie ik dat de man aan de andere kant van het gangpad opkijkt, maar ik trek me er niets van aan als ik huilerig vervolg:
“Waarom wil jij dan ook opeens PIZZA? Ik wil iets lékkers maken - we krijgen BEZOEK!”
Mijn lief krijgt nu ook een rood hoofd en fluistert mij sissend toe: “Doe even normaal tegen me, ja, dit heb ik NERGENS aan verdiend.”
Zijn boosheid trekt de knoop in mijn maag nog eens extra aan en de tranen lopen nu rijkelijk over mijn gezicht.
“Maar...” (mijn stem wordt van verdriet en verontwaardiging haast afgeknepen) “Maar... IK WEET GEWOON NIET WAT IK MOET KIEZEN!”
Merijn is echter al voorbij de tortilla’s. Hij heeft geen oren meer naar mijn woorden, en bovendien geen tijd, want er moet een pizza in de oven.
Ik wil nog wat zeggen, maar er komt net een oud dametje trillend het pad inrollen en ik snotter mijn woorden lijdzaam weg.
Ik hoop dat hij zich nog omdraait.
Maar mijn lief is de hoek al om en laat mij met mijn blauwe mandje voor de potten pastasaus en gepelde tomaten staan.

Er is één ding erger dan een vrouw die ongesteld is.
En dat is een vrouw die zwanger is.
Zwanger, ja.
Want zwanger zijn, dat is één grote, onophoudelijke PMS-kermis.
Laat je niet misleiden door de met roze wangen vertederd glimlachende rondborstige vrouw die haar bollende buik zacht beschermend aait met een dromerige blik.
Het is een façade. Een lokmiddel om andere vrouwen halsreikend uit te laten zien naar één van de meest ‘bijzondere’ periodes uit hun leven: de roze wolk van zwanger zijn.
Bijzonder? Ja.
Roze wolk? Nee. Tenzij een roze wolk heel hard ronddraait en niet stoppen wil tot je kots- en kotsmisselijk bent. En je er dan met een zwiep vanaf knalt.
Nee. Zwanger zijn is NIET LEUK.
Zwanger zijn is overleven.

Allereerst: de fysieke gesteldheid.
Vanaf dag één ben je MOE. Hóndsmoe.
Wanneer je maar kunt, en ook wanneer je NIET kunt, slaap je. Zo heb ik in het Ahoy gezeten tijdens een concert om elf uur ’s avonds, met duizenden mensen en beukende muziek om mij heen en in mijn oren. Slapend, tegen de schouder van mijn lief.
En die vermoeidheid is op zich zo’n ramp nog niet. Een beetje wegsoezen met de wetenschap dat er een piepklein baby’tje in je groeit, is nog best heel fijn.
Als je maar niet zo verdomd MISSELIJK was geweest.
Ochtendmisselijkheid? Ik was het gerust de hele dag. Bij het opstaan ’s ochtends wel het ergst, maar dat komt omdat je maag dan helemaal leeg is. Zodra er iets in zit (wat je verdragen kunt), gaat het weer. Even.
En dus was ik de hele dag bezig met beetjes te eten. Voedsel waar ik bij de gedachte niet al misselijk van werd, en wat ook in mijn maag wilde blijven zitten.
Brood. Jam. Appelstroop. Kaas. Crackers.
Dat ging.
Chocola? Nee. En geloof me: mijn DNA moet inmiddels al gedeeltelijk uit chocolademoleculen bestaan. Dus dat is een vreemde gewaarwording. Dat je van het lekkerste op aarde geen hap naar binnen krijgt.
Bij het idee van ‘thee’ werd ik zelfs al weeïg. En ik ben een enorme theeleut. Normaal gesproken. Maar nu dronk ik water, vruchtensap en frisdrank tot het mijn neus uitkwam of ik er maagzuur van kreeg.
En je zou zeggen dat al dit gehannes met misselijkheid dus goed zou zijn voor de lijn. Dat zou dan nog een mooi voordeeltje zijn.
Maar nee.
Ik at immers de hele dag door. Had ook nachtelijke vreetaanvallen.
Tosti’s.
IJsjes.
Gevulde koeken.
Zure chemische snoepjes.
Dus. Fat chance dat je daar een wespentaille aan overhoudt.
Daar steken de hormonen overigens sowieso een stokje voor.
Ik had nog niet ontdekt dat ik zwanger was, en ik paste al geen enkele broek meer. Er zat een mini-zwemband in de weg, waarvan ik niet wist waar die vandaan kwam. Tot ik die test deed, natuurlijk.
Je darmen spelen op en je houdt vocht vast. Dat zorgt meteen voor een buikje.
Dan ben je vijf weken zwanger en is je baby zo groot als een doperwt, maar dan zit jij dus al met een buikje. Een buikje, en winderigheid.
En je mag je omgeving nog niet zeggen dat je zwanger bent, dus wat die omgeving betreft ben je aangekomen. Want je hebt een buikje. Een ogenschijnlijke vetrol bulpt uit boven je favoriete jeans, waar je de rits niet meer van dicht krijgt.
Maar dat komt dus door darmen. En vocht. En misschien ook door die tosti’s.
Maar in ieder geval door de hormonen.

Hormonen. Die doen bij iedere vrouw weer andere dingen, al zullen veel ‘ervaringen’ elkaar overlappen.
Ik keek in de spiegel en zag dat ik de huid had van een veertienjarige. De veertienjarige IK, dan. Bezaaid met pukkeltjes en puistjes.
En ik moest met lede ogen aanzien hoe ik langzaam maar zeker aan alle kanten opgeblazen werd. Hoe mijn maatje 36 zich zoveel mogelijk horizontaal uit liet rekken tot er niets van over bleef. Hoe de weegschaal nog nooit in mijn leven zover uit had geslagen. En hoe de putjes er juist ingeslagen werden, in mijn voorheen zo strakke bovenbenen.
Maar je probeert er niet over te zeuren. Je bent zwanger. Het hoort erbij. ‘Bevallig’ heeft nu eenmaal niets te maken met ‘bevallen’ en het hele voortraject.
En mensen zeggen dat je er goed uitziet. ‘Gezond’. ‘Stralend’.
En ‘dat je zo mooi draagt’.
Ik glimlach terug.
Ze zouden hetzelfde zeggen als je een nijlpaard was.

En daar blijft het niet bij.
Behalve de disfiguratie die te danken is aan vocht- en vetophopingen, de traag werkende, gasafscheidende darmen en de puistjes en putjes in gelaat en leden, kun je als zwangere vrouw menig andere, nog nooit eerder ondervonden fysieke kwaal ondervinden.
Men noeme: striae, spataderen, aambeien, voordurende verkoudheid en terugkerende schimmels (ja, dáár), benauwdheid, flauwtes, maagzuur, bekkenpijn, rugpijn, spierkrampen, couperose, pigmentatie, scheurende nagels, geelwordende tanden, pijnlijke borsten en obstipatie.
Men denke nog even terug aan de sereen glimlachende, blozende zwangere vrouw met haar hand liefkozend op het kindje in haar buik.
Yeah. Right.

Voor de maatschappij ben je als zwangere – op het voortplantingsaspect na dan - weinig waard.
Je werkt minder. Of niet. Of incompetent.
Je beweegt moeizamer, dus moet vaker kostbare zitruimte innemen in de tram en loopt mensen met je waggeltred enorm voor de voeten. Als je de puf al hebt om buiten te komen.
Je doet sowieso eigenlijk bizar weinig. Slapen, ja. Bankhangen. Televisie kijken. Babyspullen bestellen via internet.
Feestjes sla je over. Je zou om negen uur ’s avonds toch maar ongehoord staan gapen. Met het zoveelste sapje in je handen. In de enige jurk waar je ternauwernood nog in past.
En iets zinnigs komt er ook niet uit je mond, want de algehele verweking die in het lichaam van een zwangere optreedt, infecteert ook de hersenen. ‘Zwangerschapsdementie’, heet dat. En die dispensatie heb je hard nodig.
Want je vergeet namen. Verjaardagen. Afspraken. Boodschappen. En je betrapt jezelf erop voor de zoveelste keer te Googelen op een woord waar je niet op kan komen. Of hoe je iets ook weer spelt. Omdat je niet meer weet of ‘ballon’ met één of twee ‘l’-en is, of ‘perron’ niet toch met één ‘r’.
Het is een hele ernstige hersenziekte.
Je weet eigenlijk alleen nog dat je hydrofiele handdoekjes nodig hebt. En vitamine K. En D. En een nieuwe thermometer. En klossen voor onder het bed. En behalve een ledikant ook een wiegje, en lakentjes, en dekentjes, kruiken, waskussenhoezen, rompertjes, sokjes, mutsjes, een tummy-tub, commode, kledingkast, box, hangertjes, slabbetjes, speentjes, muziekmobiel, babyfoon, hemeltje, trappelzak, draagzak, luiers, billendoekjes, nagelschaartje, borstel, wippertje, autostoeltje, kinderwagen....
Je weet eigenlijk helemaal niks meer, behalve hoe je zesduizend euro uit kunt geven aan een babykamer.

“Liefje, gaat het wel met je?”
Ik zit met mijn handen over mijn buik gevouwen op de bank en staar chagrijnig naar het hysterische gekibbel van broodmagere meisjes op tv.
Ik kijk niet op naar mijn lief, die een glas Taxi voor mij op de tafel zet naast de bak met gemengde nootjes waar ik lusteloos uit heb zitten graaien.
“Hmm”, antwoord ik, en trek mijn schouders op. Wat in dit geval zoveel betekent als: ‘Nee. Het gaat niet met me. Ik voel me dik en opgeblazen en puisterig, voel me zo a-sexy als een drachtige koe en heb zin in een enorm stuk rood, druipend vlees en een gigantisch glas wijn. En een sigaret. Ja, verdomme, ik heb zin om eens flink te hijsen aan een walgelijk heerlijke sigaret.’
Ik zucht.
Zucht nog eens.
De dagen van de ‘krolse’ kat zijn geteld. Ik weet het zeker.
Merijn komt naast me zitten en streelt me zachtjes over mijn wang.
Precies over een kloppende puist.
“Niet doen,” mopper ik, en buig voorover om mijn glas te pakken.
Mijn groter wordende buik drukt tegen mijn middenrif en perst een golf maagzuur met een deel van de zojuist gegeten nootjes omhoog.
Ik slik het weer naar binnen. Vloek hartgrondig, laat mijn glas staan en zak weer achterover in de bank.
Ik kijk mijn meelevend grijnzende lief aan.
“Dit is jouw schuld”, zeg ik. En zucht weer diep.

De Emoties.
Als partner van een zwangere vrouw moet je je ervoor wapenen om negen maanden lang onder één dak te leven met de personificatie van een pre-menstrueel syndroom.
Welke wapens je nodig hebt? 1. Medeleven. 2. Relativeringsvermogen. 3. Engelengeduld.
Een zwangere vrouw wordt namelijk bestuurd – wat zeg ik: gelééfd - door een stortvloed aan hormonen met de impact van een nucleaire bom.
De zwangere vrouw is overgevoelig, prikkelbaar, neerslachtig, agressief, besluiteloos en heeft een groot gevoel voor drama.
Al pacht zij ook vol liefdevolle overgave tegen haar partner aan te komen liggen op de bank of in bed, behoeftig als zij is naar genegenheid in de vorm van lieve kusjes en de bevestiging dat zij toch heus niet zo’n reusachtig gedrocht is als zij zelf denkt.
Knuffelen gaat absoluut boven seks.
De lust is namelijk tanende, afgeknepen dat het wordt door misselijkheid, vermoeidheid en andere hormonale libidoverdelgers.
Echter.
Er is een lichtpuntje:
De goede doorbloeding.
‘Daar’ dus.
Die maakt de zwangere vrouw juist extra gevoelig voor aanraking.
Maar dan moet ze natuurlijk wel aangeraakt wíllen worden.
En dat is per vrouw anders.
Neem mij nu, bijvoorbeeld.
Hoewel de zin schommelt, heeft mijn lief toch weinig echt te klagen gehad. Of heeft dat wijselijk weten te verbergen.
Van vier keer op één dag naar één keer in vier dagen is natuurlijk wel een verschil. Maar dat een zwangere vrouw zelfs in de laatste weken van haar zwangerschap nog zin heeft, dikke buik of niet, is voor een man een absolute zegen.
Vind ik.
En nog een pluspunt voor hem (of eigenlijk twee): mijn borsten hebben zich ontwikkeld tot het formaat watermeloen. In enkele maanden van een D-cup naar een F-cup vind ik zelf schromelijk overdreven en behoorlijk pijnlijk, maar mijn lief heeft het met grote blijdschap en verwondering aanschouwd en omarmd.
Dus als ik ’s avonds, staand naast ons bed op het punt sta mijn BH los te maken, gaat hij er eens lekker voor liggen: met zijn armen achter zijn hoofd gevouwen en met een verwachtingvol gezicht, zich verheugend op de dagelijkse avondshow.
Dat ik die BH vervolgens met een van pijn vertrokken gezicht losmaak, schijnt hij niet op te merken.

Natuurlijk is geen vrouw hetzelfde. Geen lichaam hetzelfde. Geen zwangerschap hetzelfde.
Mijn eerste zwangerschap was wat fysieke ongemakken betreft een stuk vlekkelozer verlopen dan deze. Toen had ik lang geen last van alle kwalen die ik opgenoemd heb, terwijl ik ze nu nagenoeg allemaal heb mogen meemaken.
Op de striae (striemen in de huid) na, dan. En daar dank ik mijn flexibele, geweldige, met goed DNA gezegende huid op mijn blote (dikke) knieën voor. Want ik weet dat de meeste vrouwen minder gelukkig zijn.
Ook zijn mij grote complicaties, die ik niet beschreven heb, bespaard gebleven.
Geen zwangerschapsvergiftiging, geen ernstige bekkeninstabiliteit, geen van de andere denkbare gruwelen die een zwangere vrouw daarbovenop nog ten deel kan vallen.
En het belangrijkste: het kindje in mijn buik is gezond.
En dat is toch de grootste en mooiste taak die het lichaam van een vrouw gegeven kan worden.
Al die sores aan je lijf heeft een oorzaak, een doel. Een doel dat alles rechtvaardigt en dat de hele misselijke trip van 9 maanden, inclusief het schreeuwend pijnlijke eindpunt, de moeite waard maakt:
De fysiek geworden liefde die je straks in je armen mag houden.
Een liefde die wonderlijk is, en groots is.
Een liefde, die alles overstijgt.

“Wat kan ik u inschenken?”
De ober heeft mijn buik gezien en lacht extra vriendelijk, ook al kan hij geen wijnbestelling verwachten.
“Ginger ale, graag.” Het is mijn nieuwe lijfdrankje in restaurants. Koolzuurhoudend weliswaar, maar door de gember niet maagzuuropwekkend. Ideaal.
Merijn en ik glimlachen naar elkaar.
Vanmiddag zijn we naar de verloskundige geweest en hebben daar op de echo ons kindje – ons zoontje - van 38 weken kunnen zien.
Het is soms nog steeds een bizarre realisatie. Dat er iets, iemand, een MENS in mij groeit. Een wezen dat groter wordt, bewuster wordt, duidelijk voelbaar en zichtbaar wordt. En straks UIT mij komt. Los van mij is. Een individu is. Een mens op zichzelf zal zijn.
Bizar.
Die momenten bij de verloskundige, zeker met een echoscopie, realiseer je je het des te meer. Dat is een heuse baby, daarbinnen. Ons kind.
Op de monitor konden we zien dat hij helemaal volgroeid is, en ondanks de onduidelijke zwart-wit beelden waren er opvallend bolle babywangen te onderscheiden. Die heeft ie van mij.
“Je placenta is van een hoog niveau. Prachtig, mag ik wel zeggen.” De verloskundige had vol bewondering op het beeldscherm gekeken, terwijl ze met een soort joystick over mijn met koude gel ingesmeerde buik gleed.
“Die heeft het nog wel even goed, daarbinnen. Ik denk niet dat je hem al snel hoeft te verwachten.”
De ober zet een mandje met brood en kruidenboter tussen ons in, maar de hand van mijn lief vindt zijn weg naar die van mij.
Er schittert een gouden ring om. Met diamant.
“Je bent prachtig,” zegt hij, en ik hoor, zie, voel dat hij het helemaal meent.
“Je bent de mooiste, liefste, meest getalenteerde, wijze en meest sexy vrouw die ik ooit ontmoet heb. Je bent perfect. En God, wat ben ik blij dat jij mijn vrouw wordt.”
Ik lach. Voel de tranen achter mijn ogen prikken, en buig me over de tafel - zover als dat lukt - om hem te zoenen, mijn lief, mijn verloofde, de vader van mijn kind.
Bijna stoot ik alle glazen omver, als mijn lippen de zijne vinden en mijn bovenlichaam half in de knoflookboter hangt. Maar het gaat net goed.
En als ik met een plof weer recht op mijn stoel zit, voel ik een flinke trap tegen mijn ribben.
“Er is iemand wakker,” zeg ik, en ik leg mijn hand op de bovenkant van mijn buik. Zachtjes en beschermend aai ik het kindje onder mijn huid.
Met een vertederde glimlach op mijn lippen.
Blosjes op mijn wangen.
En een oneindig gevoel van liefde in mijn hart.

zondag 15 januari 2012

Onstopbaar

November 2009

“Wat is er, lieverd?”
Ze ziet er breekbaar uit, mijn moeder. Met een bleek, ingevallen gezicht en kringen onder haar ogen kijkt ze me vanuit het ziekenhuisbed aan.
Maar bovenstaande vraag kwam niet van mij. Ze zag de tranen in mijn ogen en wist dat er iets was.
Ze is immers mijn moeder.
Ik heb tegen die tranen gevochten. Was helemaal niet van plan ze te laten zien. Mijn moeder is degene die hier in het ziekenhuis ligt. Met kanker in haar linkerborst. Ik zou me om háár moeten ontfermen. Zij niet om mij. Niet nu.
Maar het is onstopbaar.
Het verdriet perst zich een weg door mijn keel en mijn ogen, en vindt de blik en het hart van de vrouw die hier voor me ligt.
Ik begin te huilen.
“Wat is er toch?” En ze komt half overeind. Ze wil me in haar armen nemen, en haar zachtheid weekt alle laatste reserves los.
“We gaan uit elkaar,” krijg ik er nog net uit.
En laat het dan onbedaarlijk stromen.

Ik had Peter ongenadig gekwetst aan het begin van onze relatie. Het was een, in zijn ogen, onvergeeflijke daad.
En toch wilde hij me vergeven.
Hij probeerde het uit alle macht.
Maar de pijn en woede overheersten. Legden een beschuldigende vinger tegen mijn hart.
En ik liet hem wijzen. Ik liet hem schelden. Liet hem verwijten.
Ik was een open wond waar hij tegen kon schoppen, en ik schreeuwde maar heel zelden terug.
Ik had geprobeerd het uit te leggen.
Waarom ik had gedaan wat ik toen deed.
Ik vertelde hem van mijn angst om mij te binden, wat mijn angst om hem te verliezen was.
Vertelde hem van het stukje duisternis dat saboteren wilde wat ik het liefste had.
En hij probeerde naar mij te luisteren.
Probeerde het uit alle macht.
Maar kon het eigenlijk niet horen. Begreep niet hoe ik de dingen zag.
Dus ik liet hem zijn pijn uiten. Liet hem mij beschuldigen.
Ik wás ook schuldig. Verdiende wat ik zelf veroorzaakt had.
En als we op feestjes waren hield ik mij op de achtergrond, ervoor zorgend dat ik elke mannelijke blik ontweek. Anders kreeg ik na afloop het verwijt om de oren dat ik met iedere man geflirt had die ik zag.

Maar onder het verdriet ademende de kracht die ons bij elkaar had gebracht.
We wilden elkaar niet verliezen, we wilden elkaar niet laten gaan. Verlangden naar elkaar, al deed het pijn.
En als we vreeën, was het met deze wanhoop. Roekeloos van verlangen. Als we vreeën, maakte het allemaal niet meer uit. Want als we in elkaar opgingen, elkaar verslonden, dan waren er geen verwijten meer. Dan was er slechts dat, waarmee het was begonnen.
En zo werd ik zwanger, nog voor het helemaal kapot had kunnen gaan.

“Als het zo’n pijn doet... Is het dan wel de goede beslissing?”
De tranen blijven maar komen, en mijn moeder kijkt me meelevend aan.
“Ik kan niet anders”, zeg ik gesmoord. “Ik heb het stukgemaakt, en kan het niet meer repareren. Ik heb het alleen maar erger gemaakt.”

Toen bleek dat we samen een kind zouden krijgen, was voor ons duidelijk dat we hoe dan ook samen verder zouden gaan.
En we zouden, ter wille van het kind dat in mijn buik groeide, de kwestie van het vreemdgaan – waar vanaf toen naar verwezen zou worden als ‘dat ene’ - zoveel mogelijk laten rusten.
Wat natuurlijk niet helemaal lukte.
Maar het leerde ons wel zoveel mogelijk om de hete brij te lopen. De plekken van de grootste pijn te vermijden. Brokstukken te laten liggen.
We richtten ons zoveel mogelijk op het mooiste dat we samen hadden, en dat was ons kind. Niet onze relatie.
En op die manier gingen de weken, maanden en jaren voorbij.
We deden alsof we ‘dat ene’ een plek hadden gegeven, en waren liefdevolle ouders voor onze zoon.
Een gezin waar op het eerste oog helemaal niets mis mee was.

Maar scheuren kan je proberen op te vullen, te camoufleren - verdwijnen doen ze in werkelijkheid niet.
Toen ik weer aan het werk ging, vier maanden na de bevalling, leerde ik een man kennen die zei dat hij mij leuk vond.
“Ik vind jou leuk.”
Ik stond in zijn kantoor, hij zat in zijn stoel. Hij was Hoofd Personeelszaken en we hadden een aantal keer met elkaar gesproken, en ook een heel klein beetje geflirt. Maar hier had ik niet op gerekend.
Hij was een man die zei wat hij dacht.
“Ik vind het ook heel leuk om met je te praten,”, zei ik met een blozende lach. En verliet toen met knikkende knieën de kamer.
Ik had er nog niet aan durven denken. Ik had geprobeerd niet op die manier aan deze man te denken. Maar het zaadje was allang geplant, en het eerste blad had zich reeds boven de aarde uitgeheven.

Werken werd op slag een stuk leuker.
We stuurden elkaar e-mails en sms’jes, en de teksten, die ogenschijnlijk onschuldig begonnen, werden in het verloop van de weken steeds dubbelzinniger en vervolgens ronduit openhartig.
En met openhartig bedoel ik: druipend van verlangen en geilheid.
Het was spannend. Het was fout. Het was een verboden vrucht.
Hij was getrouwd en vader. Ik had Peter en ons kind.
Maar zijn aandacht voor mij was verslavend. En mijn fantasieën over hem ook.
Zo stelde ik mij voor dat hij mij bij zich in zijn kamer riep, en vroeg de deur achter mij te sluiten. En dat hij dan opstond, terwijl ik zijn richting op liep, en mij zacht, maar dwingend, tegen de muur aandrukte. En dat hij mij zoende. En mijn borsten beroerde, precies met de juiste hardheid over mijn tepels wreef.
En dat ik mijn kreunen moest onderdrukken, terwijl zijn handen onder mijn rokje gleden (ik droeg nooit rokken, maar in mijn fantasieën bleken die uitermate handig te zijn) en dan met een ruk mijn slipje van mijn lichaam trok. En dat hij dan mij onbeschaamd, gulzig begon te likken, terwijl ik naar zijn krullen keek en mijn eigen vocht van genot voelde stromen.
En het was aan hem dat ik dacht als ik mezelf liet komen, en het was met hem dat ik vree als ik met Peter was.
Ik voelde me verward en angstig over wat ik voelde. Schuldig. Want ook al was er fysiek niks werkelijk gebeurd: in gedachten was ik vol overgave vreemdgegaan. In gedachten had ik gedaan waar ik Peter het meest mee zou kwetsen. Alweer.
Maar het gebeurde niet. Niet echt.
“Ik word weer vader”, zei hij op een dag, en keek er haast verdrietig bij.
“Ik ga hier weg”, zei ik niet veel later, en voelde daar vooral opluchting bij.

Maar bloed gaat waar het niet gaan kan, en je kunt van werkplek veranderen – jezelf veranderen doe je daarmee niet.
Ruim een jaar later zoende ik in één week met drie verschillende mannen, en ging ik niet veel later met één daarvan naar bed.
Ik was op het punt aangekomen dat ik besloot mezelf te accepteren en mijn verlangens te omarmen – precies zoals het was.
Alles wat onderdrukt was, alles wat verweten werd, alles wat ‘slecht’ was en ‘verdorven’ – alles moest eruit, alles moest de vrijheid voelen, alles geleefd.
Want al moest ik het verzwijgen, al moest ik thuis een ander zijn: het was deel van mij. Ontkennen ging nu eenmaal niet.

Peter en ik leefden intussen verder zoals het altijd ging: in rust en in regelmaat, als een goed geoliede organisatie. Naast elkaar. Met elkaar. Maar zelden echt bij elkaar.
We praatten wel, maar niet echt. We zaten naast elkaar op de bank, maar mijlenver van elkaar vandaan. Als hij thuis kwam, kreeg ik een ‘Hoi schat’, en ons zoontje een omarming.
Thuis was ik gedwee. Tam. Moeder. Zorgzame vriendin. Thuis probeerde ik mijn schuldgevoel weg te duwen als was wat ik gedaan had iets uit een ander leven, of uit een vreemde droom.
Maar buiten de deur was ik een vrouw. Als ik werkte, uit ging of bij vrienden was kwam ik tot leven. Daarbuiten was het avontuur dat ik zocht. Daarbuiten was ik wie ik was.

En toch kunnen twee werelden niet gescheiden blijven. Niet als ze beide wezenlijk deel van je uitmaken. Niet als de kans bestaat dat ze ooit gaan botsen en desastreuze schade aan zullen richten.
Peter zag ook dat het zo niet ging. We hadden nooit geleerd goed met elkaar te praten. We hadden nooit geleerd al onze angsten in de ogen aan te kijken. We hadden nooit onszelf 100% aan elkaar kunnen geven.
We gingen een weekendje weg, ergens in de lente, naar het zuiden van het land.
Even tijd alleen voor elkaar. Als stel, en niet als gezin. Iets wat we nauwelijks deden of ooit hadden gedaan.
We beloofden elkaar “We gaan meer doen, we gaan gewoon meer samen zijn.”
Maar het werd niet beter.
Ik denk dat we vluchtten. We zagen juist nog minder van elkaar.
En toen was daar ook nog mooie Thomas. Een collega die ik die zomer regelmatig zag.
Een volle haardos, ondeugende ogen, een prachtig lichaam en een stralende lach.
Ik voorvoelde wat er komen ging.
Ik wilde het niet stoppen.
Maar toch.
Waar vocht ik thuis nog voor, als ik hier in meeging?
Nog een geheim. Nog meer schuld. Nog meer verwijdering van de man waar ik echt nog steeds van hield.
Ik besefte dat alleen openheid onze relatie kon redden. Alleen eerlijk zijn kon de kloof tussen ons overbruggen.
Maar eerlijk zijn kon ook het laatste restje brug uiteen doen knallen als een lading dynamiet.

“Fantaseer jij weleens over een ander?” vroeg ik op een avond. Het was inmiddels herfst.
In mijn stem had een kleine trilling geklonken. Hoorde hij die ook?
Peter keek voor zich, terwijl ik naast hem zat.
“Nee.” Zijn antwoord klonk ontwijkend. Hij wilde niet horen wat ik te zeggen had.
Maar ik moest deze stap naar voren wagen. Ik moest ons zwijgen doorbreken. Ik moest beginnen eerlijk te zijn door onze grootste taboes te doorbreken.
“Ik wel,” zeg ik. “Af en toe. En ik ben er bang voor. Het is voor mij een teken dat ik niet gelukkig ben. Dat ik afleiding zoek. Aandacht. “
Hij keek op, voelde ik. Maar nu was ik degene die wegkeek
“Ik ontmoet ook heus weleens vrouwen die ik leuk vind,” zei hij, en ik spitste verrast mijn oren. Ging hij de opening door die ik hem voor had gehouden? Wilde hij de stap wagen? Eerlijkheid? Zou hij begrijpen wat ik wilde zeggen? Begrijpen wat ik voelde en wie ik was?
“Ik zie ook heus wel eens een vrouw die ik mooi vind, aantrekkelijk,” vervolgde hij, terwijl ik nu hoopvol in zijn ogen keek.
“Maar daar doe ik niks mee.”
BAM.
De opening gesloten.
Zijn laatste zin liet geen nieuwe meer toe.
Het klonk hard, definitief.
Er was geen ruimte voor mij om te zeggen dat ik dat misschien juist wel had gedaan. Er iets mee doen. Er iets mee te hebben gedaan.
De kloof leek dieper en breder dan ooit.

Vijf weken later, op een koude nacht in november, bevond ik mij naakt in een studentenkamer.
Ik wist dat wat ik ging doen, het einde was.
Ik zou dit geheim met me mee moeten dragen, maar de vracht zou teveel zijn voor de liefde die dertig kilometer verderop in ons bed lag te slapen.
De vracht was sowieso teveel. Ons pad liep onherroepelijk dood.
Over een week zouden Peter en ik gaan praten. Een afspraak om onze toekomst te bepalen.
En ik wist wat onze beslissing was.
Ik ging liggen op de bruine, wat viezige bank.
Als dit het einde was, kom maar, dan.

Mijn moeder streelt mijn wangen, veegt mijn tranen weg.
“Ach meissie,” klinkt het zachtjes, en ik voel hoe de zwaarte langzaam uit mij wegstroomt.
“Het is klaar,” zeg ik, en zucht diep.
“Het is voorbij. Er is geen weg terug.”

dinsdag 1 november 2011

Voor het laatst

De straat is onveranderd.
Niet anders dan vorige week, en niet anders dan vijf-en-een-half jaar geleden.
Op de bladeren van de bomen na.
Die zijn nu geel en rood en oranje.

Toen ik hier voor het eerst kwam, lag alles onder een deken van sneeuw.
De rijtjeshuizen met hun platte daken, de tuintjes, de hekjes ervoor; het plantsoen met het nu witte grasveld, de verlaten glijbaan en klimtoestellen, en de hoge, verstilde bomen.
Alles was wit, en mijn ogen straalden.
Want nog voor ik het huis van binnen had gezien, wist ik dat we hier gingen wonen.
Ons eerste huis. Een plek samen.
Onze toekomst in een wit, licht sprookjesgewaad.

Ik steek de sleutel voor de laatste keer in het slot.
Mijn sleutel, nog. Mijn deur.
Maar eigenlijk allang niet meer.

In de lente liepen we de lege woning binnen.
Het was vies, de muren groen en de achtertuin een woestenij, maar dat maakte het alleen maar mooier.
Wij zouden dit verwaarloosde huis eigenhandig het onze maken.

Als ik in de woonkamer sta, herinner ik me hoe ruim ik het ooit vond.
En hoe ik er dromend, met de handen om mijn dikker wordende buik, doorheen liep.
Hoe ik nadacht over de plek van onze spullen, over de kleuren van de muren.
Hoe ik op mijn knieën door de kamer ging om de voegen van de plavuizen te schrobben.
Hoe ik de kozijnen geschuurd had, hoe ik de muren geverfd had, hoe ik de ramen voor het eerst had staan lappen.
En hoe alles daarbij steeds gehuld was in licht.
Omdat de zon die lente zo uitbundig straalde.

Ik loop de trap op naar boven.
Het vertrouwd krakende laminaat onder mijn voeten.
De lege kamers die in de verte nog naar ons ruiken.
Naar ons, en naar stof.
Maar lege kamers zijn bevreemdend.
Ademen verlatenheid.
Laten geluiden in holheid galmen.
Laten hun leegte vol zijn van het verleden, dat als een geest van herinneringen door de ruimten waart.

Ik sta op de plek waar ons bed stond.
De plek waar wij samen liefhadden.
Waar wij sliepen en niet slapen konden.
Waar wij ontwaakten in het donker of in een zacht, warm licht.
De plek waar wij droomden.
Waar we geluk kenden.
Waar we verdriet voelden.
Waar we praatten en stil waren.
Het was de plek waar we samen waren, maar ook steeds verder van elkaar.
De plek van verlangen en de onvervuldheid ervan.
Van liefkozingen en naar elkaar gekeerde ruggen.
Van schuld, en woede en spijt.
Maar het was de plek ook, waar ons kind werd geboren.
Waar ik de grootste pijn en meteen daarop de grootste liefde ervaren had.
Waar ik vol ongeloof en bewondering naar een jongetje had liggen staren, dat klein en zoet ruikend naast mij lag.
Nog nooit had ik zoiets moois gezien.

Ik sta daar.
Op die plek.
In het huis dat ons leven was.
Dat vijf-en-een-half jaar mijn leven was.
En ik kijk door het raam naar buiten, naar de bomen waar ik zo van had gehouden;
groot en hoog en wuivend, met hun ruizen dat haast klinkt als de zee.

Ik zie hoe hij weg ging, Peter, anderhalf jaar geleden.
Ik zie ons huilen samen, in ons bed.
Ik zie mij vrijen met andere mannen, na hem.
Ik zie mij verlangen naar anderen, tijdens hem.
Ik zie onze verbondenheid, maar meer nog onze verwijdering.
Ik zie zijn onvermogen om te vergeven, en mijn onvermogen om mijzelf te zijn.
Ik zie mijn verscheurdheid en mijn twijfel.
Hoe ik op mijn dertigste verjaardag alleen op de bank zat.
Hoe ik wist dat ik gelukkig kon zijn, maar niet wist of ik dat ooit met een ander zou kunnen.
Hoe ik verlangde naar verbondenheid.
Hoe ik verlangde naar vrijheid.
Hoe ik dacht vrij te zijn, maar toen de ketens pas zag.
Hoe ik de draak omarmde. Mijzelf overgaf.
Hoe ik opnieuw verliefd werd.
Hoe die liefde mij werkelijk zag.

“Alles ziet er picobello uit hoor.”
De meneer van de woningbouwvereniging steekt zijn lachende hoofd om de hoek.
“Alleen de sleuteltjes nog en een krabbel, en dan is het in orde.”
“Ik kom eraan”, zeg ik. Hij klost al naar beneden.

Ik kijk nog eenmaal naar de bomen, zoals ik ze toen gezien had.
Kijk nog eenmaal de kamer rond, zie nog eenmaal hoe vol die was.
En uit de emoties die ik voel destilleer ik de enige twee woorden die ik vinden kan.
“Dank je.”

De gouden herfstzon, die al lager staat, schijnt in mijn gezicht als ik even later buiten sta en nog een laatste keer omkijk.
De bomen wuiven naar mij met lome takken in een geruststellend soort melancholie. Ik zou nog lang naar ze kunnen kijken, maar dat doe ik niet.
Mijn hand rust zacht op mijn bollende buik.
Ik glimlach als ik een schopje voel, de straat uitloop en de kamers van mijn verleden achter mij laat.